Naar de inhoud
Alle artikelen

Beleggen en box 3 vanaf 2028: belasting op winst die je nog niet hebt

Voor beleggers pakt het nieuwe box 3-stelsel heel anders uit dan voor spaarders. Het hoge forfait van 6% verdwijnt, maar je gaat wél jaarlijks belasting betalen over koerswinst die je nog niet hebt verzilverd. Uitgelegd met de cijfers van het wetsvoorstel.

DoorGeldhoekbijgewerkt 17 oktober 2026

Voor spaarders is het nieuwe box 3-stelsel vooral een verschuiving van een laag fictief percentage naar je werkelijke rente. Daarover schreven we in Belasting op je werkelijke rendement. Voor beleggers is het een ander verhaal, met een veel grotere ommezwaai. Twee dingen veranderen tegelijk: het hoge forfait van 6% verdwijnt, en je gaat belasting betalen over koerswinst die je nog helemaal niet hebt verzilverd. Het eerste is meestal goed nieuws, het tweede kan flink schuren.

Het forfait van 6% was vaak te hoog

In het huidige stelsel rekent de Belastingdienst voor beleggingen (“overige bezittingen”) met een fictief rendement van 6% per jaar. Daar betaal je 36% belasting over, na het heffingvrije vermogen van €59.357 per persoon. Dat is de forfaitaire berekening. Als je werkelijke rendement lager is, kan de belasting nu al lager uitvallen via de tegenbewijsregeling. De grafieken en calculator hieronder rekenen die regeling niet mee. Ze vergelijken het forfait met het voorstel 2028, niet je definitieve aanslag. Lees de uitleg van de Belastingdienst.

Bij een rendement onder 6% kan die forfaitaire berekening te hoog uitvallen. Het voorstel 2028 belast in plaats daarvan je werkelijke rendement (na een heffingvrij resultaat van €1.800 per persoon). Op een portefeuille van €150.000 ziet de vergelijking er zo uit:

Huidig stelsel (forfait 6%)Voorstel 2028 (werkelijk rendement)
€0€500€1k€1,5k€2k€2,5k€3k€3,5k0%2%4%6%8%gelijkWerkelijk rendement per jaarBox 3-belasting per jaar
Box 3-belasting over €150.000 aan beleggingen in één jaar. Het huidige stelsel rekent vast met 6% (vlakke lijn, ~€1.958), of je nu meer of minder haalt. Het voorstel 2028 volgt je werkelijke rendement en kruist het forfait pas rond 4,8%. Onder dat omslagpunt is de voorgestelde heffing lager dan het forfait; de huidige tegenbewijsregeling is niet meegerekend. Berekend met de rekenkern van de sparen & rente calculator.

Het verschil met spaargeld is groot. Een spaarder kruist het omslagpunt al rond de 2%, omdat het spaarforfait laag is: boven een paar procent rente betaalt die juist méér. Een belegger kruist het pas rond 4,8%, omdat het beleggingsforfait juist hoog is. Wie als belegger een rustig of matig jaar draait, is onder het nieuwe stelsel dus vaak goedkoper uit. Tot zover het goede nieuws.

Het venijn: belasting over winst die nog op papier staat

Hier zit de grootste ommezwaai voor beleggers. Het voorstel is in de kern een vermogensaanwasbelasting: je betaalt elk jaar belasting over de waardestijging van je beleggingen, óók als je niets hebt verkocht. Stijgt je portefeuille in een jaar €20.000 in waarde, dan reken je daarover af, ook al staat dat geld nog volledig belegd.

Dat heeft twee gevolgen. Je belasting wordt grillig, want ze beweegt mee met de beurs. En je kunt in een topjaar een belastingaanslag krijgen terwijl je geen cent hebt verzilverd om die te betalen. Zo pakt een grillig beursdecennium uit op dezelfde €150.000:

Huidig stelsel (forfait 6%)Voorstel 2028 (vermogensaanwas)
€0€2k€4k€6k€8k€10k€12k€14k246810JaarBox 3-belasting per jaar
Jaarlijkse box 3-belasting op een beleggingsportefeuille van €150.000 door een verzonnen, grillig decennium (rendementen van +22% tot -12%). Het forfait blijft een rustige lijn die alleen met het vermogen meegroeit. De vermogensaanwasbelasting piekt in goede jaren en valt terug naar €0 in verliesjaren. Een illustratie, geen voorspelling.

In een verliesjaar betaal je onder het voorstel niets, en het door de Tweede Kamer aangenomen voorstel bevat ook verliesverrekening met het voorafgaande kalenderjaar (carry-back). Die regeling geldt pas als de wet in werking treedt. Maar in een goed jaar kan de aanslag fors zijn: in het voorbeeld hierboven schiet de belasting in een topjaar richting €14.000, waar het forfait rond de €3.000 blijft. Over het hele decennium pakt het in dit voorbeeld zelfs hoger uit dan het forfait, niet omdat het stelsel oneerlijk is, maar omdat de aanname van 6% in deze reeks gemiddeld te láág bleek. De boodschap is niet “duurder” of “goedkoper”, maar: je belasting wordt onvoorspelbaar en losgekoppeld van of je daadwerkelijk geld in handen hebt.

Twee scherpe randen verdienen aandacht. De eerste is timing rond de jaargrens. De aanwas wordt per kalenderjaar gemeten (waarde 31 december min 1 januari). Sta je eind december op een papieren piek en keldert de beurs in januari, dan ben je over die piek belasting verschuldigd terwijl de winst alweer verdampt is. De crash valt in het volgende jaar; alleen carry-back kan de aanslag terughalen, en dan nog betaal je eerst en krijg je pas later terug. De tweede is het overgangsgat van 2027 naar 2028. Verliezen uit 2027 vallen nog onder het oude stelsel en kun je niet meenemen naar het nieuwe. Crasht de beurs in 2027 en herstelt die daarna, dan wordt het herstel vanaf 2028 volledig als aanwas belast, terwijl de eerdere daling geen verlichting gaf. Hoe dit precies wordt geregeld staat nog niet vast.

Niet alles valt onder die aanwasbelasting. Voor vastgoed en bepaalde niet-beursgenoteerde aandelen (zoals in start-ups en scale-ups) geldt een vermogenswinstbelasting: daar reken je pas af op het moment dat je verkoopt. Voor de gemiddelde belegger in aandelen en fondsen is de jaarlijkse aanwasbelasting echter de hoofdregel.

De stille kostenpost: onderbroken rente-op-rente

Dat verschil tussen jaarlijks afrekenen en pas-bij-verkoop afrekenen is geen detail. Charlie Munger vatte het samen als “the first rule of compounding is to never interrupt compounding”. Elke euro die je tussentijds aan belasting afdraagt, kan daarna geen rendement meer maken. Een vermogensaanwasbelasting onderbreekt dat rente-op-rente-effect dus elk jaar opnieuw, terwijl een heffing bij verkoop het geld al die jaren laat doorgroeien.

Hoe groot dat is, hangt af van looptijd en rendement. Voor een lange horizon bij een stevig rendement loopt het flink op:

Afrekenen bij verkoop (referentie)Huidig forfaitVoorstel 2028 (vermogensaanwas)
€0€200k€400k€600k€800k€1000k€1200k€1400k€1600k€1800k€2000k51015202530JaarNetto vermogen
Netto vermogen uit € 100.000, 30 jaar lang, bij 11% rendement per jaar. Wie pas bij verkoop afrekent houdt € 1.501.107 over, tegen € 1.439.197 onder het huidige forfait en € 831.462 onder het voorstel 2028. De jaarlijkse heffing kost hier dus fors aan rente-op-rente. Let op: bij een korte looptijd of laag rendement kan de eenmalige afrekening juist ongunstiger uitpakken. Een illustratie, geen voorspelling.

Het is geen pleidooi voor of tegen: afrekenen bij verkoop levert de staat op termijn juist een grotere som ineens op, en stelt die inkomsten lang uit. Maar het laat zien dat jaarlijks heffen op nog niet verzilverde winst een prijs heeft die je niet terugziet in het belastingtarief zelf.

Waar de overheid zelf heen wil: afrekenen bij verkoop

De groene referentielijn hierboven, afrekenen pas bij verkoop, is meer dan een rekenkundig ijkpunt of een uitzondering voor vastgoed. Het is de kant die de politiek zelf op wil. De jaarlijkse vermogensaanwasbelasting die het kabinet vanaf 2028 wil invoeren, is uitdrukkelijk bedoeld als beginpunt, niet als eindstation: in één keer overstappen op een vermogenswinstbelasting voor álle bezittingen bleek niet haalbaar zonder de invoering per 2028 in gevaar te brengen.

In februari 2026, rond de aanname van het wetsvoorstel, nam de Tweede Kamer twee moties aan die het kabinet vragen het stelsel door te ontwikkelen naar een vermogenswinstbelasting: een heffing die je pas betaalt als je daadwerkelijk verkoopt. Het verzoek is om uiterlijk bij het Belastingplan 2029 zo’n stelsel te presenteren; een aparte motie vraagt al op Prinsjesdag 2028 om een nieuw box 3-plan. Ook het kabinet heeft aangegeven dat de huidige wet nog wordt aangepast.

Daarmee krijgt de stille kostenpost uit de vorige grafiek een wrange wending. Juist de geduldige langetermijnbelegger, die het hardst wordt geraakt door jaarlijks afrekenen op nog niet verzilverde winst, zou onder het beoogde eindmodel het rente-op-rente-effect grotendeels terugkrijgen. De aanwasfase die voor 2028 is voorgesteld, is dan precies de tussenstap die die belegger het meest kost.

Twee kanttekeningen. Dit zijn moties en voornemens, geen aangenomen wet: of en wanneer een vermogenswinstbelasting er komt is onzeker, net zoals het stelsel van 2028 zelf nog in de senaat ligt. En afrekenen bij verkoop is niet in elk geval gunstiger; bij een korte horizon of laag rendement kan de eenmalige afrekening juist zwaarder uitvallen, zoals de grafiek hierboven al liet zien.

Reken het door voor je eigen portefeuille

De sparen & rente calculator maakt dit onderscheid. Kies een scenario met aandelen of een verwacht rendement dat bij jouw portefeuille past, en schakel onder “Box 3-belasting” tussen Huidig stelsel (forfaitair) en Voorstel 2028 (werkelijk rendement). Voor een beleggingsscenario rekent de calculator het huidige stelsel met het forfait van 6%, zodat je ziet welk stelsel voor jouw verwachte rendement gunstiger uitpakt.

Wil je het grillige karakter en de stille kostenpost zelf verkennen, met je eigen rendement, volatiliteit en verlies? Gebruik dan de simulatie Box 3 2028: koersschommelingen. Die trekt veel rendementspaden en toont met percentielbanden hoe je belasting en vermogen uitpakken, een grafiek met de belasting per jaar (waarin je het forfait élk jaar ziet heffen en het voorstel 2028 in verliesjaren naar nul of negatief, door carry-back, ziet zakken), en de referentielijn voor afrekenen-bij-verkoop.

Spaarder of belegger: het verschil in één zin

Voor de spaarder is het lage forfait het ijkpunt: zodra je rente daarboven komt, kost werkelijk rendement meer. Voor de belegger is het hoge forfait van 6% het ijkpunt: blijf je daaronder, dan is werkelijk rendement goedkoper, maar je betaalt voortaan wél jaarlijks over koerswinst die nog op papier staat. Beide kanten reken je het beste even door in plaats van af te gaan op een vuistregel.

Stand van zaken (oktober 2026)

Gecontroleerd op 17 oktober 2026: dit is nog een wetsvoorstel, geen geldend recht. De Tweede Kamer nam het aan op 12 februari 2026. Het plenaire debat in de Eerste Kamer vond plaats op 30 juni 2026; de stemming over het wetsvoorstel is uitgesteld in afwachting van de aangekondigde novelle. Op 13 oktober 2026 besloot de commissie Financiën eerst de behandeling van die novelle door de Tweede Kamer af te wachten. De beoogde ingangsdatum blijft 1 januari 2028, maar de uiteindelijke regels staan nog niet vast. De volledige tijdlijn en de gebruikte aannames staan in het artikel over box 3 voor spaarders.

Vraag, opmerking of correctie?

Klopt er iets niet, mis je iets, of heb je een vraag over dit artikel? Of een suggestie om Geldhoek beter te maken? Laat het weten.

Stuur een bericht

Of mail rechtstreeks naar[email protected].